De heer Merz op bezoek in Den Haag

Door: Ruud Vermeer

De vraag is of we ooit iets van of over Kurt Schwitters (1887 – 1948) hadden gehoord als er in Duitsland, na het verliezen van de Eerste Wereldoorlog niet een crisis was uitgebroken. Die crisis was er niet alleen op sociaal-economisch gebied, maar ook op het gebied van de cultuur. Al in 1917 waren de eerste Dadaïsten uit Zwitserland teruggekeerd naar Berlijn en vrij snel na de oorlog openden ze hun aanval op de wankelende gevestigde orde van gearriveerde kunstenaars. Ook Schwitters ervoer die verandering.

Kurt Schwitters (1925-25)

Kurt wordt Dada

Zijn tot dan toe vrij traditionele werk werd na november 1918 expressionistischer, waardoor hij algauw in contact kwam met mensen als Raoul Hausmann, Hannah Höch en Hans Arp. Zij waren betrokken bij de Berlijnse Dada-beweging, een meer politiek-gerichte afsplitsing van de oorspronkelijk groep dadaïsten die was samengekomen in Zürich, in 1916. Schwitters werd echter niet radicaal genoeg bevonden, want toen hij eind 1919 wilde toetreden tot de groep werd hij door de zelfbenoemde leider ervan, Richard Huelsenbeck afgewezen als ‘de Caspar David Friedrich van de dada-revolutie’. Schwitters ‘antwoordde’ met een echt dadaïstisch verhaal Franz Mullers Drahtfrühlung. Erster Kapitel: Ursachen und Beginn der großen glorreichen Revolution in Revon, waarin een onschuldig omstander een opstand ontketent, alleen maar door ergens aanwezig te zijn.

Rond die tijd maakte hij ook zijn eerste collages van gevonden tekstfragmenten en voorwerpen. Dat Merzbild (1918-19) dankte zijn naam aan een gevonden fragment van de zin ‘Kommerz und Privatbank’. Zijn eerste expositie in Der Sturmgallerie (in Berlijn) in juni 1919 was een groot succes. Iets dat ‘bekroond’ werd door het schrijven van misschien wel zijn beroemdste werk, het gedicht Anna Blume, een dadaïstisch liefdesgedicht.

In december 1920 leerde hij de Nederlandse kunstenaar Theo van Doesburg kennen. Er begon een periode van intensieve samenwerking die culmineerde in de Dada-veldtocht die in een ander artikel in dit blad is beschreven.

Na de veldtocht

Kurt Schwitters, Kontramerk (1923)

Schwitters was in de jaren erna nog vaak in Nederland. Hij logeerde onder andere in Den Haag bij schrijfster Til Brugman, in de Ligusterstraat no. 20, of bij Huszár in Voorburg aan de Weverslaan. Later logeerde hij bij de Hongaarse schilder Lajos d’Ebneth in Kijkduin. Schwitters was een zeer aimabele man die makkelijk vrienden maakte en met hen samen werkte aan allerlei ‘projecten’. Zo leerde hij in die jaren kunstenaars kennen als El Lissitsky, Michel Seuphor, Käte Steinitz, Cesar Domela, de architecten J.P. Oud en Van Eesteren en meubelontwerper Gerrit Rietveld. En ook nu kwamen er allerlei ‘plaatselijke’ voorwerpen, zoals kaartjes van trams en bussen, reclame, sigaretverpakkingen en zelfs aangespoelde voorwerpen terecht in zijn werk, zoals Merzbild Kijkduin en Kleines Seemannsheim.

Bewijzen van latere bezoeken aan Den Haag vinden we terug in de collages die hij maakte, waarin ook weer tramkaartjes en ander klein drukwerk voorkwamen, met titels als Eveningen, Contramerk, Tramweg-Maatschappij en Geldig voor een rit.

In Hannover was hij ondertussen aan zijn ‘Merzbau’ begonnen in zijn huis aan de Walthausenstrasse in Hannover. Het was een constructie van allerlei gevonden materiaal die voortdurend werd uitgebreid. Uiteindelijk zegde hij de huur op van de huurders op de andere etages, brak het plafond door en bouwde verder. Delen van de Merzbau kregen een eigen naam zoals: Niebelungenort, Goethegrotte, Lustmordhöle, Ruhrgebiet, Kunstausstelling, Die Orgel, 10%igen Kriegsbeschädigten, Grosse Grotte en Der Liebe. Het herbergde kunstwerken van onder andere Hans Arp en Paul Klee. Toen hij Hannover verliet, in 1937, besloeg het geheel drie etages en vier kamers.

In diezelfde periode begon hij ook te werken aan klankgedichten, zoals de nu beroemde Ur-sonate die door veel ‘stemkunstenaars’, waaronder de Nederlander Jaap Blonk, is opgenomen.

Van Noorwegen naar Engeland

Aan het begin van de jaren dertig kreeg hij steeds meer last van de nazi’s. Zijn werk werd na de machtsovername als ‘Entartete Kunst’ overal verwijderd. Optredens en tentoonstellingen waren verboden. Dat kwam net op het moment dat musea zijn werk gingen aankopen. In ’35 kocht het Modern Art Museum in New York zijn eerste ‘Schwitters’ aan. Twee jaar later verhuisde hij naar Noorwegen waar zijn zoon met diens vrouw al woonde. Helma Schwitters bleef achter om op de huizen te passen. Ze zouden elkaar tot aan het uitbreken van de oorlog nog regelmatig zien. In 1944 stierf zij aan kanker, een jaar nadat een geallieerd bombardement op hun huis de Merzbau volledig had verwoest.

Na de Duitse aanval in april 1940 op Noorwegen kwam hij na een avontuurlijke vlucht in Engeland terecht. Daar volgden zeventien maanden in verschillende interneringskampen. Na zijn vrijlating, in december 1941, ging hij in Londen wonen. Hij voorzag in zijn levensonderhoud door mensen te portretteren en in opdracht andere werken, zoals landschappen, te schilderen. Ook maakte hij weer collages. De tijd in interneringskampen had hem geen goed gedaan en berichten over de oorlog maakten hem niet vrolijker. Verschillende van zijn vrienden waren verdwenen of omgekomen.

Kurt Schwitters, Kleines Seemans Heim (1926)
Kurt Schwitters, Elikan

Toen na de oorlog zijn zoon Ernst weer terug verhuisde naar Noorwegen, besloot Schwitters in het Lake District te gaan wonen. Daar begon hij weer aan een nieuwe ´Merzbau´. Hij nam weer opnieuw contact op met oude vrienden zoals Raoul Hausmann, Käte Steinitz en Nelly van Doesburg. Maar zijn gezondheid werd nu steeds slechter; hij kreeg last van zijn hart en kreeg ook nog een hersenbloeding. Een tijdlang kon hij zelfs niet schilderen.

Nadat bekend werd wat voor gruwelijks er in de Duitse kampen was gebeurd, weigerde Schwitters nog verder Duits te spreken of te schrijven. Een dag voor zijn dood op 8 januari 1948 kreeg hij de Engelse nationaliteit toegekend.

Tegenwoordig is zijn werk wijdverspreid en inspireert het nog steeds jonge kunstenaars. Vooral zijn collages en reliëfs dienen nog steeds tot voorbeeld. Schijnbaar waardeloze snippers papier of voorwerpen verzamelde hij. En het paradoxale was natuurlijk dat hij al tijdens zijn leven zag dat die collages en reliëfs, samengesteld uit afval, plots geld waard waren en in musea kwamen te hangen. Zo dienden ze moderne kunstenaars zoals Andy Warhol, Keith Haring en Jeff Koons bewust of onbewust tot voorbeeld.

Een eerdere versie van dit artikel stond in Pandora, tijdschrift voor kunst & literatuur, jaargang 1, no 24 (2012)

Literatuur:
Francois Bazzoli, Kurt Schwitters, Images en manoeuvre editions, Marseille, 1991
August Hans den Boef & Sjoerd van Faassen, Dada Den Haag. Van Haagsche Kunstkring tot Haagsche Tramwegmaatschappij, Artoteek Den Haag. Den Haag, 1999
Anke van der Laan & Meta Knol, Kurt Schwitters in Nederland, Uitgeverij Waanders bv, Zwolle, 1997
K. Schippers, Holland Dada, Querido, Amsterdam, 1974
Bzzlletin 229, Uitgeverij BZZTôh, Den Haag, oktober 1995

Lees ook: De Dada veldtocht van 1923

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Terug naar boven